Selecteer een pagina

Elke advocaat die te maken heeft met het jeugdrecht kent het uitgangspunt dat de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK) en de gecertificeerde instellingen (hierna: GI) waarheidsvinding als uitgangspunt moeten nemen bij het opstellen van rapportages.

Waarheidsvinding in de theorie

In een rapport van de Kinderombudsman in 2013 is dit uitgangspunt als volgt verwoord:

“Jeugdzorg spant zich tot het uiterste in om feiten en omstandigheden te achterhalen, voor zover die van doorslaggevend belang zijn voor het maken van de zorgvuldige afweging van de veiligheid en ontwikkeling van het kind.”

In de praktijk betekent dit dat de RvdK verplicht is in rapportages en verzoekschriften de belangrijkste feiten volledig en naar waarheid te vermelden. De RvdK en GI’s moeten zich richten op het verzamelen van feiten, gebeurtenissen en omstandigheden die objectief te maken zijn. Tot zover het theoretisch kader.

Waarheidsvinding in de praktijk

In de praktijk echter blijkt dat waarheidsvinding niet altijd het leidend beginsel is bij een raadsonderzoek en dat het er op lijkt dat bepaalde vooringenomen standpunten omtrent de (opvoed)kwaliteiten van vader of moeder een stempel hebben gedrukt op de inhoud van de rapportage. Subjectieve beschrijvingen sluipen er dan in.

Feiten maken

Zo is in een dossier beschreven dat een moeder, na twee weken gescheiden te zijn van haar dochter van acht, haar tijdens een omgang een knuffel gaf waarop de omgangsbegeleider noteerde dat moeder de eigenheid van het kind niet erkende. Iemand die met een andere bril naar deze moeder kijkt ziet een liefdevolle toenadering tussen moeder en dochter.

Of, in een ander dossier, staat in de raadsrapportage dat er jegens moeder vier meldingen bij Veilig Thuis waren gedaan, waarbij kort de inhoud van deze meldingen werd vermeld, maar onvermeld werd gelaten dat deze niet waren opgepakt door Veilig Thuis wegens onvoldoende grondslag ofwel weerlegd waren.

Ook het vergroten van de zorgen bijvoorbeeld in de zin van toevoegingen die niet in het medisch dossier staan komt regelmatig voor. Zo werden de “nierproblemen” zoals vermeld in het medisch dossier in de raadsrapportage opgedikt tot “ernstige nierproblemen”. De “ontwikkelingsachterstand” in verband met een vroeggeboorte in een ander dossier wordt dan “grote ontwikkelingsachterstand” met als suggestie dat moeder daar verantwoordelijk voor zou zijn.

Informanten in een raadsonderzoek

Daarnaast kunnen informanten die in het kader van een raadsonderzoek worden gehoord, van alles over u vertellen. Ook in dit verband wordt door de RvdK in mijn optiek onvoldoende getoetst aan de waarheidsvinding met alle gevolgen van dien voor de besluitvorming. Stellingen van informanten worden namelijk niet opgevolgd door de tegenvraag: “Waar blijkt dat uit?” zoals bij elk ander rechtsgeschil wel staande praktijk is. Zorg er overigens voor, indien u onderwerp van onderzoek bent, dat informanten die een positief beeld van u kunnen schetsen ook gehoord worden danwel dat deze minimaal een schriftelijke verklaring indienen bij de RvdK.

Bevindingen in een rapportage

Na afronding van het onderzoek zal de RvdK een conceptrapportage aan u toezenden. Uw op- en aanmerkingen worden dan aangehecht bij de rapportage. In de praktijk blijkt echter dat rechters zich veelal niet bekommeren om deze op- en aanmerkingen en er vanuit gaan dat de RvdK en de GI’s hun rapportages hebben opgesteld met inachtneming van de verplichting tot waarheidsvinding. Ook wil een rechtbank de zaak niet onnodig juridiseren nu het gaat om het belang van het kind en niet de ouders die zogezegd in het beklaagdenbankje staan. Indien het er dus in enige mate op lijkt dat er zorgen zouden kunnen zijn omtrent de minderjarige, dan is een ondertoezichtstelling (OTS) al dan niet gekoppeld aan een uithuisplaatsing (UHP) snel uitgesproken (90 tot 95% van de verzoeken voor een OTS wordt toegewezen).

De balans opmakend als advocaat

Ik acht de door mij genoemde punten een zorgelijke ontwikkeling: een jeugdbeschermingsmaatregel grijpt namelijk diep in in het leven van de ouders en minderjarige en het éénzijdig uitrollen van hulpverlening die niet passend is, is wel degelijk schadelijk. Zolang echter de heersende gedachte is (bij bijvoorbeeld kinderartsen) dat er geen onterechte meldingen bestaan en dat er volgens de staatssecretaris niet getwijfeld mag worden aan de professionaliteit van de onderzoeker van bijvoorbeeld een Veilig Thuis, ben ik daaromtrent niet optimistisch gesteld.

Ongeacht het bovenstaande is het voor u en uw advocaat altijd zinvol om zoveel mogelijk onjuistheden in een raadsrapportage bij de rechtbank ter sprake te brengen. De balans kan op enig moment wel degelijk in uw voordeel doorslaan, zo blijkt uit de recente uitspraak van de Rechtbank Limburg omtrent de afwijzing van een ondertoezichtstelling.

Het is mijns inziens daarnaast van maatschappelijk belang om te zorgen dat het onderwerp waarheidsvinding niet naar de achtergrond verdwijnt en steeds weer onder de aandacht wordt gebracht zoals recentelijk nog in de Zembla-uitzending ‘Verdachte Ouders’ van 13 december 2017.

Heeft u advies nodig?

Neem vrijblijvend contact met mij op via e.osinga@osingaadvocatuur.nl of 030-2819953.